Hoe ik werk
Eerst het feitenbeeld. Daarna de duiding.
Ik onderzoek wat er feitelijk gebeurt voordat één verklaring het beeld gaat bepalen.
Een aannemelijke verklaring is nog geen vaststaand beeld.
Ik begin bij de vraag wat er feitelijk gebeurt.
Eerst moet helder zijn wat er feitelijk gebeurt.
Ik kijk naar feiten, rollen, mandaat, informatie, afhankelijkheden en feitelijke beslissingsruimte. Ik onderzoek welke informatie een verklaring ondersteunt en welke informatie aanleiding geeft om haar te herzien.
Van vraagstuk naar een feitenbeeld waar een bestuurlijke afweging op kan rusten.
De vraag scherp krijgen
Wat speelt er, wat is al geprobeerd en waar blijft het vraagstuk terugkomen?
Feiten en interpretaties scheiden
Wat weten we aantoonbaar en waar zijn aannames of interpretaties als feit gaan functioneren?
Rollen en mandaat onderzoeken
Wie draagt verantwoordelijkheid en wie kan daadwerkelijk beslissen en handelen?
Afhankelijkheden zichtbaar maken
Van welke personen, routes of uitzonderingen is het werk afhankelijk geworden?
Tegenbewijs zoeken
Welke informatie zou maken dat de eerste verklaring moet worden herzien?
Beslispunten terugleggen
Waar vraagt het feitenbeeld om een expliciete bestuurlijke of organisatorische keuze?
U krijgt een feitenbeeld dat laat zien waar de organisatorische spanning zit.
Wat weten we aantoonbaar?
Waar bestaat overeenstemming over en waar lopen feiten, interpretaties en aannames door elkaar?
Waar ontstaat structurele afhankelijkheid?
Waar ontstaan blokkades, informele routes of kwetsbaarheden?
Wie kan daadwerkelijk handelen?
Waar liggen verantwoordelijkheid en feitelijke beslissingsruimte uit elkaar?
Waar is een keuze nodig?
Welke bestuurlijke of organisatorische afweging vraagt om een expliciet besluit?
Ik onderzoek. U beslist.
Ik onderzoek en leg terug wat ik aantref. De bestuurlijke afweging en de beslissing blijven bij de opdrachtgever.
